Emilia Romagna 2004

Mijn favoriete reisverslag, niet over fietsen maar wandelen.
 
Herfstwandelen in Emilia Romagna  oktober 2004

Voor het eerst sinds jaren een weekje vakantie in het najaar zonder kind. Wandelen dus. Pieterpad? In oktober? Nee, te koud. Wicklow Way?  Nee, te nat. Italië dus, we hebben nog wel behoefte aan wat zon voordat de winter start.
We boeken een wandelreis bij Sindbad, Emilia Romagna, net boven Toscane, met onderweg een bezoek aan het Ferrarimuseum en allerlei culinaire ambachtslieden. Voor elk wat wils dus.
In de week voordat we weg gaan is het in Italië nog 25 graden, verheugd stop ik korte broek en blote T-shirts in de koffer. Op de ochtend van vertrek kijk ik voor de zekerheid nog eens op Internet. In de loop van de komende week daalt de temperatuur naar 12 (!) graden in Modena, dat is de voorspelling. Dat is vast een vergissing. Beetje halfhartig stop ik toch ook nog maar een paar handschoenen en een sjaal in de tas. Mijn echtgenoot kijkt me meewarig aan, ik sta een beetje bekend als een tobber. Zo’n vaart zal het wel niet lopen, meent hij. Wacht maar!

De voorspelling kwam uit. Wanneer we de laatste ochtend van onze wandelweek door onze gastvrouw Claudia bij de bushalte in een winderig Lama Mocogno worden afgezet is het op de thermometer van de plaatselijke bank inderdaad 11 graden. Ik koester mijn sjaal en handschoenen, zoals al eerder deze week als we door natte en kille herfstbossen lopen. Toch was het goed, soms wel een beetje te goed. Het was herfst in de Frignano, het heuvellandschap aan de voet van de Apennijnen. Na een korte teleurstelling over de doelloze korte broek hebben we er ons volledig aan overgegeven. Een mens moet tenslotte niet willen wandelen door prachtige gekleurde kastanjebossen in een temperatuur van 25 graden, dan past een ander klimaat.
En herfst was het, in al zijn prachtige dimensies. De geuren, het weer, de natuur en op ons bord. Kale akkers liggen te rusten, omgeploegd na een productieve zomer, tenminste daar gaan we van uit want de aarde voelt hier vettig en vruchtbaar. Alles wat de herfst zo kan bieden komen we in overvloed tegen: noten, eikels, bosvruchten en ontelbaar veel kastanjes. We lopen regelmatig over een zacht tapijt van de stekelige omhulsels. Druiven hangen overrijp aan hun ranken. Fazanten schrikken op uit de bosjes met veel lawaai. We schrikken zelf vaak net zo hard. Grootwild zien we helaas niet, dat zal al wel ergens in een vriezer liggen. We horen regelmatig geknal van jagers in de verte, ondanks een verbodsbordje tegen iedere boom. En verder, funghi, veel funghi, maar daarover later meer.

“Today is the last day of the summer”  zegt onze gastheer van agritourismo Pra Rosso in zijn beste Engels als we na een grotendeels verregende eerste wandeldag aankomen. We geloven er niks van, de zon schijn inmiddels weer en de temperatuur is voldoende hoog om buiten te zitten. Op bierdrinkers is hij na een vol seizoen Nederlandse wandelaars( “er kwamen er wel 125” zegt hij tevreden) niet ingesteld, na een eerste rondje is er geen koud bier meer. “In Italy we drink wine”, legt hij uit. Okay, vooruit dan maar, we passen ons aan en genieten in de laatste zonnestralen van deze dag van een soepele donkerrode San Giovese. Er zullen er nog meerdere volgen deze week.
’s Avonds verwent zijn vrouw ons met een parade van snoeperijen voorgebracht door dit vruchtbare land. In Aceto Balsamico gekonfijte uitjes, kersjes in likeur, ham en kaas. En niet te vergeten een pruimenlikeurtje toe. We maken kennis met de belangwekkende volgorde van het Italiaanse diner, eerst primo dan secondo, al dan niet voorafgegaan door antipasti. Ergens daar tussen komt ook nog wat groente langs, niet zoveel overigens. Tot slot, dolce in de vorm van torta of ijs met frutta di bosco. Doe ons maar alleen die frutta di bosco, wij zijn dan meestal al lang afgehaakt. Terwijl we toch niet echt kleine eters zijn. We leren in de loop van de week ons niet volledig over te geven aan de primo, meestal een pasta in iedere keer weer verschillende varianten. De bediening kijkt altijd teleurgesteld “no good?”, “nee, heel lekker, maar er volgt nog een secundo!”. Een en al onbegrip is ons deel.

Het is maar goed dat we overdag pittig wandelen, gemiddeld zijn we zo’n uur of 6 op pad.  Het is hier behoorlijk heuvelachtig, ieder rivierdal wordt weer gevolgd door een heuvel. Bij de klim kleeft de vette klei aan onze schoenen. Vanaf boven hebben we echter prachtige vergezichten, waarbij je tot ver op de dag kunt zien waar we vandaan kwamen. Kijk, het kasteel van gisteren. Nu goed te zien, want toen was alles gehuld in dikke mist. In het begin voorral landbouwgebied, later bossen, veelal kastanjebossen, prachtig verkleurend. In vroegere tijden aangeplant als volksvoedsel. Na 40 dagen drogen boven een zeer zacht vuurtje in het stookhuis (de ”castagneta”)  konden de tamme kastanjes tot meel worden gemalen. Tegenwoordig liggen ze grotendeels doelloos op de grond, alhoewel doelloos, talloze Vlaamse gaaien en eekhoorntjes doen zich er aan te goed.

Af en toe worden ze ook nog opgeraapt door de mens. We maken dezer dagen kennis met een nieuw fenomeen, de scharrelaars. Op de derde wandeldag, een rondwandeling naar Serramazoni komen we de eersten tegen. Een ouder echtpaar, gehuld in stofjas, laarzen, jaren zestig bril en ieder een grote paraplu. Aan hun voet staat een grote mand gevuld met funghi. Bundelzwammen, boleten en andere heerlijk geurende bospaddenstoelen. Ze zijn net als wij blij een levende ziel te ontmoeten in dit druilerige eenzame bos. Zij ratelt, onderwijl vervaarlijk zwaaiend met haar grote sikkel. Hij lijkt te beseffen dat onze kennis van het Italiaans beperkt is en vat af en toe haar teksten samen. Een beetje kennis van andere Romaanse talen helpt in de conversatie. “Restaurant?” vragen we. “Nee, natuurlijk niet, wat denken we wel, dat eten we natuurlijk zelf op”. Ze komen uit Milaan en zijn speciaal vandaag hier naartoe afgereisd om een verse voorraad bospaddestoelen te plukken. Beetje jammer van het slechte weer. Zij is in deze streek geboren. Met de sikkel haalt ze de braamstruiken uit elkaar. Daaronder zijn deze delicatessen van de herfst te vinden. Langs het pad staan ze niet meer, al lang weggehaald door eerdere scharrelaars. “Is er ook funghi porcini (eekhoorntjesbrood) bij?”, vragen we. Alweer zo’n domme vraag, die groeien alleen op speciale plekken en als je die wil plukken moet je eerst het land pachten. Tenminste, dat maken we op uit hun woorden. Geen wonder dus dat ze zo duur zijn. We hadden zojuist een zak gedroogde porcini gekocht in de lokale supermarkt in Serramazoni voor ruim 6 €. Dat was overigens slechts een zesde van de prijs in de delicatessenzaak in de Via della Spigla in Milaan. Maar die funghi hadden dan ook Gianni Versace en Emporio Armani als buurman.

Later die week zien we veel meer scharrelaars, met name in de bossen rond Pavullo, een wat grotere stad. Met hun Panda’s (handig zo’n 4x4 uitvoering) en Ape’s (een soort Solex met de uitstraling van een vrachtauto) rijden ze het bos in om te scharrelen. Kastanjes, bosvruchten maar vooral funghi. Voorovergebogen types, meestal op leeftijd. Eens treffen we zelfs een buslading vol, met emmertjes losgelaten op een hopelijk vruchtbaar perceel. Gewone wandelaars komen we niet tegen, dat is alleen voor de “Ollandesi”, die hebben geen verstand van scharrelen. Bij ons mag dat ook niet meer, toevallig staat de ochtend na thuiskomst een uitgebreid stuk in de krant over de zorgen van Staatsbosbeheer over de toenemende paddenstoelplukcultuur in Nederland. We vragen ons af of het in Italië eigenlijk wel mag.

"U wandelt door rustig landelijk gebied", schreef de folder. Dat klopt en toch ook weer niet. Op iedere vierkante kilometer staat wel een huis, of een groepje huizen. Soms vervallen, soms alleen de voorkant zonder barsten en scheuren. In de regel straalt het geen grote welvaart uit. Mensen zien we echter weinig, we worden van achter het vliegengordijn gadegeslagen. Ze zijn niet erg contactueel ingesteld, deze heuvelbewoners, we moeten soms moeite doen hun blik te vangen en hen een “buon giorno” toe te wensen.
Op het erf neemt Bello de honneurs waar. In alle maten en soorten, soms met vier tegelijk. Altijd luid keffend en grommend, de meeste gelukkig achter hek of aan een touw. Hoe verder hun vrijheid is ingeperkt, des te grimmiger komen ze over. Mijn echtgenoot komt beroepshalve nog wel eens bij de mensen thuis. In de loop van de jaren heeft hij wel een beetje geleerd hoe met luid keffende honden om te gaan. Hij wijst mij op alarmerende of geruststellende gedragingen. Desalniettemin kies ik altijd voor een koers over het erf waarbij hij zich tussen hond en mij bevindt. Mijn allergie voor honden zit kennelijk niet alleen in mijn luchtwegen. Mijn wandelstok geeft mij aanvullend zelfvertrouwen. Uiteindelijk blijkt het gebruik nooit nodig. Maar als je echt panisch bent voor honden lijkt deze wandeling iets minder geschikt.

We verblijven twee nachten in Agritourismo Molina Vivi. We zijn er, net als in de overige accommodaties de enige gasten. De gastvrouw lijkt verheugd met onze komst, ze ziet ons als dankbare slachtoffers voor haar culinaire aspiraties. Waren we net gewend aan de volgorde primo, secundo, gooit zij nog eens een tweede ronde primo in de strijd. Na de pasta komt eerst nog een schaaltje smeuïge gnocci, voordat zij ons de konijn én de fazant voorzet. “Torta?” Nee, geen torta, er zijn grenzen aan de capaciteit van onze maag en galblaas. Goede boerenkeuken, gang na gang uiterst smaakvol, maar de gemiddelde Weight-Watcher verbruikt hier in één diner haar hele puntentotaal voor de komende 2 weken.
De gastvrouw vindt ons waarschijnlijk iets minder aardig, we doen haar keuken onvoldoende eer aan. Ze doet gelukkig wel de centrale verwarming aan als we totaal verregend van onze rondwandeling terugkomen de volgende dag. Kan ik mijn nieuwe T-shirt met lange mouwen drogen. Aangeschaft in de enige kledingzaak in het dorp. De winkeljuffrouw snapt mijn probleem, ze laat me haar vier lagen kleding zien. “Brr, freddo”. Het T-shirt doe ik vier dagen niet meer uit. Zoals gezegd, het was herfst. En soms dus nat.

Maar niet altijd, de volgende dag lopen we in een waterig zonnetje naar Pavullo, een centrumgemeente in deze streek. We zien daar voor het eerst sedert dagen weer een jonge mensen en kinderen. Het lijkt erop dat ook dit platteland lijdt onder vergrijzing. De jeugd trekt naar de stad en de ouderen blijven achter. Als zij er straks niet meer zijn vervallen hun huizen en verwilderen hun akkers. Tenzij rijke Noorderlingen het pand opkopen voor een leuk tweede optrekje. Dat lijkt nu nog niet zo erg het geval, voor 80.000 € koop je hier een aardige “Mas”. Kom daar maar eens om in Toscane of in de Provence, daar tel je het tienvoudige neer tegenwoordig.
De stad biedt ook stadse geneugten, een kroeg met donker herfstbier en winkels.
De kleine “alimentari” naast het hotel is culinair een stuk beter gesorteerd dan onze eigen dorpse super. Rauwe ham, kazen, worsten en prachtig fruit lachen ons toe.
“Ollandesi?”  Gullit, Davids en van der Meijden worden besproken. De eigenaar beaamt dat hij trots is op de producten van deze streek. Maar nog trotser is hij op een gesigneerde ansichtkaart van een Formule I bolide. Schumi, staat er in frivole grote krullen. De alimentari-man weet niet zeker of hij trotser moet zijn op zijn kazen of op de Ferrari’s. Want dat is ten slotte het andere beroemde product van deze streek: ronkende, slank gesneden en supersnelle Ferrari’s. 
Op de eerste wandeldag heeft de regiobus ons afgezet bij de fabrieken in Maranello.
We doen het museum aan. Onze meningen over de tentoonstelling zijn sterk verdeeld, maar de toegangsprijs  is in ieder geval passend veel te hoog (€12,50).
Later die week zien we meerdere ronkende Ferrari’s rijden op de slingerende weg bij Molina Vivi, waarschijnlijk is dit het testcircuit van de fabriek. Niet alleen rode, ook blauwe, witte en zwarte, en allemaal gratis te zien. We zijn getuige van een bijna-crash tussen een zilvergrijze Ferrari (een cabriolet !) en een Fiat Punto, tjeempie, dan hadden we thuis nog eens wat te vertellen gehad. Op het laatste moment ziet de Ferrari de Fiat echter uit de mist opdoemen.
De volgende ochtend worden we gewekt door het inmiddels vertrouwde ronkende geluid.
Dat is nog eens een wekker.

De laatste twee dagen verblijven in Lama Mocogno, bij mensen thuis. De eerste avond worden we ontvangen door Noni(opa) die redelijk Engels spreekt en op zijn kleinkind past. Zijn dochter, onze gastvrouw is inkopen doen in Modena. Opdat wij niet blootgesteld hoeven te worden aan zijn kookkunsten worden we die avond naar een plaatselijk restaurant getransporteerd. Ook hier zijn we weer alleen. Binnen een half uur zijn we door het proces primo, secundo en dolce heen. De gastheer snapt niet goed waarom we het niet allemaal opeten, we hebben toch de gehele dag gewandeld. Zelf oogt hij niet zo fit, van de korte gang van keuken naar onze tafel wordt hij al kortademig. We voelen ons weer buitengewoon sportief, een glaasje likeur kan er dan wel in. De gastheer, die ook wel beseft dat hij ons niet weer na een half uur naar huis kan brengen organiseert een “degustation”. Vrolijk stappen we na een uurtje in de taxi, die ons weer naar Ca d’Pignat brengt. We liggen vroeg in bed die avond.

De laatste dag maken we een rondwandeling naar een nabijgelegen ski-oord, vijfhonderd meter hoger. Aanvankelijk is het droog, maar al stijgende wordt het steeds kouder en natter. Het door Claudia klaargemaakte lunchpakket blijft in de rugzak, we nestelen ons bij het open haardvuur in de Trattoria op de top. “Wandelend? ” vraagt de ook weer niet zo fit ogende juffrouw met een bewonderende blik. “Brava”! Dan toch zeker om funghi te zoeken vraagt de buurman. Nee, we zijn gewoon voor onze lol tegen deze berg opgelopen. Dat kunnen ze niet zo snappen, geen Italiaan zou dat in dit seizoen bedenken. We zijn de enige toeristen deze week, maar voelen ons ook vaak de eerste. Authenticiteit is het woord dat het oproept.

Wij genieten ervan, door het druilerige herfstbos lopen we weer naar beneden. We scharrelen een beetje ten afscheid (kastanjes slechts), ontwijken nog een paar zeer heftig blaffende Bello’s. De verse funghi porcini kopen we de later in een kleine alimentari in Modena. Thuisgekomen in Nederland verdwijnen die in een geurige risotto. Dochterlief komt later die dag thuis van haar schoolreis naar Rome en Florence. Na tien dagen pizza en pasta wil ze echter geen risotto con funghi. Ze heeft liever  stamppot zuurkool met worst. Ook lekker. Laat de winter nu maar komen, wij zijn er klaar voor.